Diensten

De doelstellingen van screening voor erfelijke afwijkingen zijn de volgende:DNA test

  • Het identifiëren, op aanvraag van de kennel- of rasclub, van dieren die geen hartaandoening hebben.
  • De prevalentie van hartruisen, ritmestoornissen of bepaalde hartaandoeningenin in specifieke rassen te bepalen, en dit op aanvraag van de rasclub.
  • Om de oorzaak van een hartruis of ritmestoornis verder te onderzoeken.
  • Om data te verzamelen met het doel een databasis te kunnen aanleggen en daardoor de genetische basis van het probleem te kunnen (laten) onderzoeken in een betreffend ras.
  • Om de eigenaars , fokkers of dierenartsen advies te kunnen geven ivm de karakterisatie van de hartaandoening en de nood aan bijkomende onderzoeken.

De manieren van screening zijn de volgende:

  • Auscultatie: onderzoek via de stethoscoop
    Dit is een essentieel onderdeel van iedere cardiovasculair onderzoek. Hartruis/bijgeruisen kunnen aldus geïdentifieerd, gegradeerd (0-6) en gelocaliseerd worden. Ook het hartritme wordt zorgvuldig beluisterd en genoteerd. Hartruisen kunnen veroorzaakt worden door aangeboren (bv aortastenose, Patent Ductus Arteriosus) of verworven (mitralisklepdegeneratie) aandoeningen. Ritmestoornissen zonder hartruis kunnen voorkomen in dieren met DCM. Het kan soms moeilijk zijn of een klein hartruis te horen in een ruimte met veel lawaai of wanneer het dier niet stil blijft staan. Anderzijds kunnen sommige hartruisen moeilijk te horen zijn in dieren met een dikke vacht of een brede thorax.  Daartegenover kunnen sommige hartruisen veranderen in intensitiet door stress, opwinding en een veranderde hartfrekwentie. Indien een significant hartruis dan kan het zijn dat de cardioloog verdere onderzoeken aanbeveelt. Auscultatie alleen geeft geen definitieve diagnose, bijkomende onderzoeken zijn meestal noodzakelijk. Alhoewel iedere dierenarts je huisdier'shart kan beluisrteren, zullen de meeste rasclubs het gebruik van cardiologen aanraden omdat deze laatsten een specifieke opleiding hierin hebben gehad. 
  • Electrocardiogram (ECG)
    Dit is altijd de beste manier om een ritmestoornis te karakteriseren. Het wordt meestal gebruikt voor de screening van DCM in bepaalde rassen. De gevoeligheid voor het detecteren van congenitale hartaandoeningen of degenerative klepaandoeningen is zeer beperkt. 
  • Echocardiographie (with Doppler)
    Twee-dimensionele echocardiographie laat ons toe om het hart te visualiseren in schijfjes. M-mode echocardiographie  wordt gebruikt om de grootte van de hartkamers en wanden te bepalen en te vergelijken met bekende referentiewaarden.  Dit laat toe de meeste congenitale en verworven aandoeningen te herkennen. Nochtans is  Doppler echocardiographie (spectraal, al dan niet met kleuren Doppler) noodzakelijk om de diagnose te bevestigen en de ergheid van de aandoening te bepalen (prognosticatie). Ook te bevestiging van milde gevallen of om de oorzaak van onschuldige ruisjes op te sporen is deze techniek noodzakelijk. Het onderscheid tussen deze laatste is echter niet altijd voor de hand liggend. Doppler echocardiografie vraagt buiten de specifieke apparatuur ook een specifieke opleiding en enkel erkende specialisten zijn hierin adequaat getraind.
  • DNA test voor bepaalde hartaandoeningen in bepaalde rassen. Zie ook http://www.cvm.ncsu.edu/vhc/csds/vcgl/index.html